Balansventilatie, ventilatie type D – voor onze Nederlanders WTW units – werken allemaal volgens een vergelijkbaar principe:
“Centraal lucht aanzuigen van buiten, verdelen over het huis in de droge ruimtes. En vervolgens afzuigen in de natte ruimtes & centraal weer naar buiten brengen.”
Dat centraliseren doe je hoofdzakelijk omdat je op die manier alle afgezogen lucht langs 1 plaats kan laten passeren en zo de warmte die daarin opgevangen zit, kan gebruiken om de lucht die je aanzuigt mee op te warmen. (En daarmee ook het aantal gaten in de buitenmuren kan beperken.)

Waarom ventileren & hoe dan ?

Kookluchtjes doorheen heel het huis, een muffe geur & CO2 concentraties die opgebouwd worden in de lucht, damp- & vochtproblemen kan je allemaal grotendeels voorkomen door deftig te ventileren. Bij de bomma gebeurde dat door de kieren in oudere huizen, generatie X deed het door regelmatig een raam open te zetten, maar onze generatie heeft daar allemaal snufjes voor nodig.
De laatste jaren wordt namelijk meer en meer de nadruk gelegd op isoleren, d.w.z. de warmte zo veel mogelijk binnen houden. Die beter geïsoleerde huizen zijn ook meer luchtdicht – er lekt letterlijk minder warmte naar buiten door kieren en spleten. Dat wil dan wel weer zeggen dat ventilatie gecontroleerd aan- en afgevoerd zal moeten worden. Allemaal volgens het principe van “verse lucht inbrengen in de ruimtes waar je veel tijd doorbrengt en afvoeren uit de ruimtes waar er veel vocht of geurtjes te verwachten zijn”.

Realistisch gezien zijn dit er maar 2. Beiden met een gecontroleerde afvoer, maar bij type C met een natuurlijke aanvoer & bij type D met een geregelde centrale aanvoer. (Sinds kort promoten sommige fabrikanten ook type E – al is dat meer een marketing naam voor een type C met gestuurde toevoer) Beide systemen hebben een gecentraliseerde afvoer, maar verschillen in de manier waarop droge & koude buitenlucht aangevoerd wordt. Bij een type C wordt die oude toevoer door spleten en kieren vervangen door…. iets modernere & veel duurdere spleten en kieren boven de ramen. Deze worden enkel in de droge ruimtes geplaatst, maar laten nog altijd gewoon onbehandelde buitenlucht en lawaai door. Niet ideaal in de winter, naast een drukke baan of bij een plaats met vaak voorkomende geurhinder.
Bij een type D wordt diezelfde buitenlucht door een ventilator door kanalen geduwd naar diezelfde droge ruimtes. Maar enkel nadat die lucht door een warmtewisselaar voorverwarmd is met de restwarmte uit de lucht van de natte ruimtes.

Problemen met balansventilatie bij een renovatie

Energetisch gezien is er dus een duidelijke winnaar. Bij type C doe je niets met de warmte in de lucht die je afblaast & bij type D haal je soms wel tot 80% van de energie terug uit de lucht.
Om het te verduidelijken: met een systeem met warmte terugwinning kan je in de winter verluchten tussen 15-18°C ipv buitenlucht aan 3°C (illustratief rekenvoorbeeldje). Dus moet je ook gewoon minder verwarmen…
Maar je moet de lucht natuurlijk nog wel in & uit die ruimtes krijgen. Praktisch komt dat dus neer op 2x een kanalen net – eentje voor de droge lucht & eentje voor de natte lucht – die allebei tot bij de centrale unit moeten geraken.

Ter verduidelijking : dan moet je een buizennetwerk zien weggemoffeld te krijgen waar de stijg- en daalleidingen doorgaans een diameter hebben vergelijkbaar met een WC afvoer. Om dan nog eens per verdiep horizontaal af te takken en tot in de kamers te geraken. Hou er dan als ontwerper nog rekening mee dat de drukval nog redelijk beperkt & gelijkmatig moet zijn. En dat je dan ook nog eens op voldoende afstand van obstakels moet blijven met de ventielen. En dan zie je waarom veel mensen het ofwel gewoon niet doen – of het helemaal uit handen geven.

Eenvoudige rekenregels

Er is nochtans ook een (redelijk) eenvoudige manier om de systemen voor de meeste rijhuizen zelf te ontwerpen. Gebruik gewoon de maximum debieten in de ontwerpen van het WTCB. Deze debieten zijn uitgegaan van een worst case scenario voor een doorsnee gezin & verrassing: ook de meeste ventilatie systemen zijn hierop ontworpen.

Vereenvoudigde tabel van het WTCB –
Tabel 1 Vereiste minimum ontwerpdebieten voor elk soort ruimte voor de luchttoevoer, -doorvoer en -afvoer.

Soort ruimte  Luchttoevoer  Luchtafvoer naar buiten
Slaapkamer, bureau, speel- of hobbykamer (of equivalent)  75 m³/h
Woonkamer, salon, eetkamer (of equivalent)  150 m³/h
Toilet  25 m³/h
Keuken, badkamer of wasplaats  75 m³/h
Open keuken  75 m³/h

1

Weeral – dit zijn de maximum debieten – dus als je merkt dat je echt nét 15 m³/h te kort komt met jouw ventilator, kan je nog altijd kijken of je op een andere manier kan rekenen.
Doorgaans vertrekken ze bij het WTCB dan van een minimum debiet voor een bepaalde ruimte i.f.v. functie van de ruimte en/of oppervlakte. Die regel voor de oppervlakte is meestal x 3.6m³/h.
Verder kan je bij een gecombineerde keuken en wasplaats een classificatie doen als 2 aparte ruimtes, maar als er geen deur tussen staat, hoeft dat (naar mijn ongeïnformeerde mening) niet echt & kan je ze ook als 1 grote ruimte bekijken.

Bij ons rijhuis komt dit met zo’n 3 slaapkamers & een redelijk grote living bijvoorbeeld op 150+(3×75) = 375 m³/h. En als je weet dat de meeste modellen maar 300 m³/h aankunnen, zou ook de afvoer in principe groter moeten dan de meeste modellen aankunnen. (4×75)+25 = 325 m³/h

Herrekend naar de rekenregels met de oppervlaktes, komen de toevoer zo op
15m² slaapkamer – wordt 50 m³ i.p.v. 75 m³/h
15m² slaapkamer – wordt 50 m³ i.p.v. 75 m³/h
30m² woonkamer – wordt 108 m³ i.p.v. 150 m³/h
D.w.z. een reductie van ca. 92 m³/h van minimaal 375 m³/h naar 283 m³/h.

En voor de afvoeren kunnen we hetzelfde doen – door reductie i.f.v. de oppervlakte
15m² keuken – wordt ca. 54 m³ i.p.v. 75 m³/h
15m² wasplaats – wordt ca. 54 m³ i.p.v. 75 m³/h
D.w.z. een reductie van ca. 325 m³/h naar 283 m³/h.

Hier hebben we dus dik chance gehad – de afvoer- en toevoerdebieten komen meteen perfect overeen. En onder de magische 300 m³/h (van de goedkopere ventilatie units).

In, onder, boven of tussen

Om die 300 m³ dan doorgaans verdeeld te krijgen over de verschillende kamers, worden leidingen door de installateur gedimensioneerd in functie van debiet, drukval, isometrie en diameter. (Al kan je dat in de meeste gevallen gerust zelf.) Maar ook hier vertrekt hij meestal van een aantal bijzonder eenvoudige regels. Ieder kanaal heeft namelijk een “toegelaten debiet”, wat zoveel wil zeggen als “wanneer je er meer over wil duwen, wordt de drukval onaanvaardbaar hoog”.

Kijk bij de verschillende kanalen dus simpelweg welk debiet toegelaten is…
Om dat even gemakkelijker te maken vind je die hier voor de meest courante leiding diameters bij 4 m/s – wat door veel installateurs als een acceptabele waarde gebruikt wordt.

Luchtdebieten door een kanaal (m3/u)

diameter 100 diameter 125 diameter 160 diameter 200
3 m/s

4 m/s

5 m/s

84

113

141

132

176

220

217

289

361

339

452

565

2

Tel simpelweg alle af te zuigen debieten op 1 verdiep op en je hebt meteen een idee van hoe groot de stijgleiding op die plaats minimaal moet zijn. En doorgaans vallen de drukverliezen ook nog best mee op die manier – als de totale afstand onder de 20 meter blijft, ga je je daar normaal geen zorgen over moeten maken. (En moest je het dan nog steeds niet betrouwen, kan je het altijd nog eens gratis door een installateur laten voorrekenen tijdens de offerte fase…)

Voor de flexibele slangen kan je doorgaans een vergelijkbare redenering aanhouden.
En kom je meestal op een maximum debiet van
25 m³/h per slang van 63 mm
36 m³/h per slang van 75 mm
50 m³/h per slang van 90 mm

Naar minimale prijs toe, ga je dus best richting de 90 mm slangen kijken, maar als je toch echt hoogte een prioriteit geeft, ga je eerder richting kleinere of plattere kanalen. Die grotere, ronde flexibele kanalen zijn namelijk doorgaans ontworpen voor inbouw in een chape laag of in een verlaagd plafond dat daarvoor vanaf het begin voor ontworpen was. En bij een renovatie is dat heel vaak jammer genoeg niet het geval. Zonder verdiepingen die > 3m zijn, gaan de hoogtes in de kamers zelf zelden ook meer dan 2,7m zijn. En wordt het dus al heel krap als je daar nog eens een verlaagd (gyproc) plafond in moet zetten. Die totale hoogte die je daarbij verliest is immers niet enkel die van de slangen, maar ook die van de liggers / metal studs waar je de gipskarton platen op bevestigd.

In eerste instantie wilden we daarom naar de plattere kanalen, zgn. tunnelbuis, gaan. Die flexibele, plattere kanalen kunnen een vergelijkbaar debiet aan van 50 m³/h met een inbouwhoogte van maar 55 mm.
En om het helemaal eenvoudiger in te werken, gingen we die combineren met ‘oval duct’ toevoerkanalen. Met een afmeting die we nét tussen een standaard Plagyp S plafond gemoffeld krijgen, leek ons dit een ideale oplossing te zijn die minder dan 10 cm van onze hoogte zou kosten in de kamers.
Even uitgerekend: met een afmeting van zo’n 14×7 cm kan je die veel eenvoudiger wegmoffelen in een voorzetwand. En misschien even belangrijk – het boorgat hoeft niet noodzakelijk rond te zijn > 160 mm. Weeral, vooral bij oudere huizen kan dit een énorm voordeel zijn.

Afbeelding bij Balansventilatie in een renovatie - untitled 7

Is jouw huis bijv. gebouwd voor 1970, dan heb je veel kans dat het niet met dals of potten en balken gebouwd is, maar effectief met dunne betonnen balkjes. Zaag of boor je de wapening door van zo’n betonnen balkje, dan verliest het bijna al z’n sterkte.
Gevolgen, hoor ik je daar zeggen?
Raveelconstructies, instabiele vloeren, ruwbouw aannemingen in een bestaande bouw… Kortom, een duur grapje.

En om in herhaling te vallen – zo’n verdelers zijn gemaakt zodat het inkomend debiet gelijk is aan het uitgaand. Heb je dus 12 aansluitingen voor flexibele verbindingen van 63 mm, dan ga je die kunnen voeden met 2x een oval duct van 150m³/h of 1x een ronde stijgleiding van 180 mm. Easy peasy…
(Nu toch nog… Kijk gerust bij volgende posts of we bij installatie nog steeds zo optimistisch zijn.)

Hier onder vind je trouwens een afbeelding waarop zo’n constructie met 2 ovale kanalen naar 2 verdelers wordt weergegeven.

Afbeelding bij Balansventilatie in een renovatie - untitled 8

Maar – drumroll please – omwille van een vrij grote hoeveelheid flexibele verbindingen, dure iso-pipes en dakdoorvoeren… Is dit hem toch niet geworden 🙁

(Mede doordat het dak toch vervangen moest worden, gaan we toch voor de standaard galva buizen gaan… Bijzonder anti-climactisch, maar het budget laat niet anders toe.)

Samengevat

Wij gaan hier voor een occasie ventilatie unit – gekocht voor een prikje ten opzichte van een nieuwere unit. En voor onze leidingen gaan we voor Burgerhout flexibele leidingen. In eerste instantie zouden het oval duct leidingen worden, om de gekende redenen: Minimale dode ruimte rond de ventilatie leidingen, eenvoudiger in te slijpen in de vloeren en weg te moffelen in een voorzetwand.

Maar het budget heeft daar nu eenmaal anders over beslist. De Burgerhout leidingen waren als reststukken te verkrijgen & dus bijzonder goedkoop. Eenvoudige collectoren, goedkope slangen en volledig in flexibele leidingen.

Grotendeels uit nieuwe PE, dus zonder giftige restgassen van PVC en niet gevoelig aan corrosie zoals gegalvaniseerde leidingen. En stukken flexibeler en steviger – maar yep, wel een stukje duurder per lopende meter. (Zelfs als reststukken van iemands anders z’n installatie)

UPDATE:
Begetube / Fränkische is trouwens niet de enige ventilatie leverancier met zo’n platte leidingen, zo vind je van o.a. van Zehnder, Vasco & Renson ook gelijkaardige plattere buizen.
In onze eerste vergelijken gaven we de voorkeur aan de Begetube leidingen, omdat we de opbouwkanalen wilden gebruiken om de gegalvaniseerde leidingen te vermijden – zo’n bekasting voor 2 buizen van 14cm x 7cm plat tegen de muur gemonteerd is een stuk gemakkelijker weg te steken dan een ronde buis van 16 cm diameter. Maar for the record – hier vind je een overzichtje van een aantal andere systemen met hun marketing foto’s er bij.

Zehnder comfotube

Afbeelding bij Balansventilatie in een renovatie - 11219 0

Source3

Een vergelijkbaar opbouw systeem, waar ook van de traditionele galva leidingen over gegaan kan worden naar een plat kanalen systeem. Maar de beperktere aansluitmogelijkheden van de verdelers & de kleinere oppervlakte van de ovale kanalen, heeft ons uiteindelijk toch richting Begetube doen trekken. (De combinatie van een verdeler waar de ovale kanalen en traditionele flexibele leidingen op aangesloten kon worden, was voor ons een must.)

Qua prijs zit dit systeem overigens best vergelijkbaar met Begetube – op de flexibele leidingen na zijn de koppelstukken en verdelers bijna identiek.

Directe link naar het Zehnder assortiment

Vasco Easyflow

Ook hier is het niet gigantisch veel verschillend, behalve dan dat Vasco vol inzet op de plattere leidingen in plaats van de flexibele. Voor een nieuwbouw of een verbouwing waar de leidingen in de chape terecht zullen komen, is dit ideaal. Grotendeels starre leidingen met 1 bocht zodat je geen verschillende koppelstukken moet installeren en toch flexibel kan werken.
Maar er is natuurlijk wel 1 groot nadeel. De verdelers zijn ook enkel ontworpen voor aansluiting met gegalvaniseerde leidingen (voor zover ik kon vinden). Dit wil zeggen dat je altijd een gegalvaniseerde leiding zal moeten leggen in de schacht. En dat die ook altijd loodrecht zal moeten toekomen op deze verdeler. Een stukje meer pas- en breekwerk dus…

Afbeelding bij Balansventilatie in een renovatie - CJa1mI3WgAA4WUn

Vasco Easyflow4

Bronnen

  1. Ontwerp en dimensioneringseisen • WTCB, Ventilatie van gebouwen – Ontwerp- en dimensioneringseisen, https://www.wtcb.be/homepage/index.cfm?cat=publications&sub=infofiches&pag=42&art=2
  2. Welke debiet moet u voorzien?, Stijgleidingen, https://nl.codume.eu/kanalen-ventilatiesystemen/welke-debiet
  3. 11219_0.jpg (1200×800), 11219_0.jpg (1200×800), https://www.zehnder.nl/sites/zehnder.nl/files/styles/product/public/all-assets/11219_0.jpg?itok=bJSofq4K
  4. Voorbeeld Vasco Easyflow installatie, Twitter, https://twitter.com/michelecotech/status/618881666740662272, Michel Férir